Pietje zat tegenover mij.
Ik vroeg hem hoe het met hem ging.
Hij pakte een potlood en tekende… zwarte regen.
Binnen het contextuele gedachtegoed weten we:
kinderen geven altijd.
Zeker wanneer ouders vastlopen in een scheiding.
Pietje’s ouders zaten in een moeilijke scheiding.
Dat maakte dat er weinig ruimte was
om echt te zien wat Pietje nodig had
en hoe hard hij ondertussen aan het werk was voor hen.
Samen tekenden we iets bij de regen.
Een paraplu. Ik stelde de vraag:
“Wie of wat zou jou kunnen beschermen tegen al deze regen?”
Ik vroeg Pietje wie voor hem géén partij was.
Bij wie hij niet het gevoel had
dat hij moest kiezen of zorgen.
Hij noemde een familielid.
Ik heb beide ouders daarna expliciet gevraagd
of deze oom de rol van ‘Zwitserland’ mocht krijgen.
Iemand die geen partij kiest,
niet belast wordt met het conflict
en er uitsluitend is voor het kind.
Beide ouders stemden daarmee in.
Daarom ben ik zo blij met het contextuele inzicht:
“wat probeert dit kind te geven?”
Door dat geven zichtbaar te maken,
ontstaat er weer ruimte.
Ruimte voor ouders om te zien
hoe hun kind zich inspant, meedraagt en loyaal blijft.
En precies daar kunnen ouders
opnieuw verantwoordelijke keuzes maken.
Keuzes die het kind ontlasten
en het weer mogelijk maken
dat een kind kind mag zijn.
Wanneer een kind te lang de paraplu probeert te zijn,
wordt de regen te zwaar.
Een kind hoeft niet droog te blijven.
Het heeft recht op iemand
die zijn paraplu vasthoudt.