“Haar boosheid ging niet over die vraag, maar over het feit dat zij als puber nooit ‘nee’ mocht zeggen.” zien.
Boos omdat je puber krijgt wat jij nooit kreeg
Ze kwam bij mij omdat ze soms heftig boos werd op haar man en dochter.
Er was een moment geweest dat ze iets tegen haar dochter had gezegd
waarvan ze zelf voelde: dit ging te ver.
Het begon met iets kleins.
Ze vroeg haar dochter om iets te doen.
Haar dochter, puber, zei: “Nee, daar heb ik geen zin in.”
Dat kon ze niet hebben.
Ze werd boos. Veel bozer dan ze zelf logisch vond.
Toen we samen haar gezin van herkomst in beeld brachten,
werd duidelijk waar dit raakte.
Ze vertelde over een middag uit haar jeugd.
Ze kwam uit school en haar moeder zei dat ze wegging.
Geen uitleg. Geen idee wanneer ze terug zou zijn.
Zij moest het eten regelen,
voor haar broers en zussen zorgen
en zorgen dat alles doorliep.
Ze was toen zelf een puber.
Maar ze kreeg de rol van volwassene.
Dat maakte begrijpelijk
waarom ze het nu zo moeilijk vond
dat haar eigen dochter gewoon nee zei.
Zij had die ruimte zelf nooit gehad.
We stonden stil bij wat zij tekort was gekomen.
En bij de boosheid die daar logisch bij hoorde.
Niet de boosheid op haar dochter,
maar de boosheid over wat haar toen is aangedaan.
Dat hielp om onderscheid te maken:
wat hoort bij vroeger
en wat bij het contact met haar dochter nu.
Soms gaat spanning rondom iets kleins
zoals een vraag, de voorbereiding van een verjaardag
waarbij familie komt en alles ineens perfect moet zijn.
niet over dat moment,
maar over oude verantwoordelijkheden
die weer worden aangeraakt.